Posts tonen met het label 17de eeuw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 17de eeuw. Alle posts tonen

maandag 19 december 2011

De regencultuur

“Hé bah! Ik ruik naar regen!” Een bekende treinreiziger kent die muffe lucht van natte kleren wel, maar voor onbekenden; na een flinke regenbui ruikt de hele treincoupé en al zijn inzittenden nogal muf en voel je nogal klam aan. “Ja, dat heb je in Nederland. We leven nu eenmaal in een regencultuur.” Een…wat? Een regencultuur? Wat is dat nou weer? De meisjes, en dus de discussie over de regencultuur, stappen de trein uit. Maar ik moet nog even door. En als ik niks te doen heb in de trein, dan ga ik nog wel eens zitten denken. Niet te vaak hoor, normaal doe ik een dutje.
Een regencultuur. Wat is dat precies? Is dat een cultuur in een land waar het veel regent? Want dan kunnen de Engelsen, Schotten, Ieren, Scandinaviërs en alle landen met een moesson-seizoen zich ook meteen bij ons aansluiten. Dan kun je toch al bijna spreken van een internationale cultuur en saamhorigheid. Of is een regencultuur iets voor een gebied met veel water? Hallo Amazonegebied, Venetië en een gedeelte van de VS! Een regencultuur kan natuurlijk ook iets anders voorstellen. Zou het een cultuur kunnen zijn waar alles wat ‘grauw’ is? De soberheid van Nederland was natuurlijk al vormgegeven in de schilderkunst van de 17de eeuw, maar zou die nu worden vormgegeven met het woord ‘regencultuur’? Tijdens regen is de wereld natuurlijk wat grauwer en donkerder, daar schuift die ‘Hollandse soberheid’ natuurlijk mooi bij aan, en de recessie past ook helemaal in dat plaatje!
Misschien… Maar misschien ook niet. Een regencultuur, wat bedoelden ze er toch mee? Jammer dat ik het niet heb kunnen vragen, want ik ben toch benieuwd wat nou precies een regencultuur inhoudt…

vrijdag 18 november 2011

De gek die een ets meenam voor een presentatie...

“Wie wil volgende week als eerste presenteren. Over Rembrandt?” De leraar keek zo hoopvol de klas in. Ach, dan ben ik er maar vanaf. Neutraal steek ik mijn hand op, samen met nog vijf anderen. “Geweldig! Ik mail jullie de opdracht, en hoop dat jullie er iets moois van maken!” Ja ja, alsof we niet allemaal weten hoe zo’n eerste presentatie gaat. Hakkelig, moeizaam, en dan krijg je een enorme lading kritiek van de leraar aan het einde.
Maar goed, de werken van Rembrandt. Daar moeten we maar even doorheen om de vraag of Rembrandt typerend voor de Nederlandse identiteit is te beantwoorden. En terwijl we met z’n vijven op school om de tafel zitten tijdens een brainstormsessie glijden mijn gedachten af, terug naar de lessen kunstgeschiedenis van die oorlogszuchtige tekenleraar op de middelbare school. Hij noemde Rembrandt de “Meester van de Nederlandse kunst”. Een genie, een briljante schilder. Maar technisch gezien was ‘schilder’ in de 17de eeuw een doodnormaal beroep waar scholen voor waren. Stijlen (ook die Rembrandt gebruikte) bestonden al generaties lang en werden hoogstens per leerling iets veranderd. Hoe kun je iemand als “briljant meester” bestempelen als hij gewoon die oude technieken van nog oudere ‘meesters’ combineert? Vanwege deze redenering in mijn hoofd sloot ik me vanaf die les praktisch volledig af voor mijn leraar. Zelfs het uitzicht op het schoolplein vond ik interessanter dan zijn lessen.
“Dus, welk werk gaan we tonen?” Ik schiet terug naar de hal op school en staar naar mijn groepsgenoten. Ze kijken bedenkelijk. “Het is jammer dat we geen echte Rembrandt kunnen tonen, dat zou wel ontzettend cool zijn!” Ze grinniken maar ik frons. En dan doe ik het aanbod waarvan ik me gisteren nog had voorgenomen het niet te doen. “Nou… dat zou best kunnen. Geen schilderij, maar er is een ets van Rembrandt in mijn familie, misschien mogen we die lenen?” Ze staren me aan alsof ik gek ben, en eigenlijk hebben ze gelijk. Wie neemt er nou een echte Rembrandt (ets of schilderij) mee naar school? Maar ik heb het aanbod aangereikt en binnen een minuut hapt de eerste toe, als vissen naar een stukje brood aan een haak. Dus fiets ik door de kou, en grom ik woest dat ik in de spits in de trein zit met een schilderij in mijn tas die zorgt dat die niet meer dicht kan. Maar, en dat maakt het toch even waard, de leraar is omver geblazen door het feit dat we “een echte” hebben in de presentatie. Bijna kwijlend staat hij ernaar te kijken, me honderden vragen erover stellend die ik niet kan beantwoorden.
De schilderkunst en ik. Wij hebben nooit echt met elkaar door een deur gekund. Gebrek aan interesse aan mijn kant, gebrek aan herkenning in de schilderijen. Wie zou het weten? Maar de liefde is nu nog bekoelder dan anders.